vrijdag 11 november 2011

ADAM

Ik bijt de Apple
die Eva heeft weggegooid,
ik klim in de boom van de kennis
door een trap gemaakt met haarvlechten
van een vrouw.
De slang was een leugen,
de duizendpoot en de knijper ook,
Eva is niet de dochter van mijn rib,
zij is de dochter van mijn tranen:
zo veel huilde ik die dag
dat uit de modder een vrouw was geboren,
trillend marmeren lichaam
boom met winderige wortels.
Zij zei hallo met een kus
en ik stal het licht uit haar wang.
We wandelden samen een lang stuk,
met onze handen verbonden.
Wij waren naakt tot half geest,
ik vermeed haar rug,
omdat als ik naar haar rug kijk
is het alsof  ik de tijd doorga kijken,
terwijl de lijken liggen op de oever.
Ik hield haar brede heupen,
ik kuste haar zoals een beest dat doet;
ik vergeet alles over mij,
alles leeft binnen een vuist
de wens kloppend in elke stap.

Dan heb ik God uitgevonden,
Eva had genoeg van mijn oude stemming,
zij vond het precieze woord in de lippen,
zij zei “dag” zonder een kus.
Sindsdien elke keer dat ik haar zie
zie ik alleen de zwarte rug van de tijd.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten