donderdag 22 december 2011

VIER

De cijfer neemt mijn ziel,
een innerlijke 4, een onderneming,
 zorgen de verborgen Amerikanen
voor het brood van mijn toekomst.
 Ik weet weinig van de cijfer,
 weet ik niet of het is de vrucht van mijn geloof
of een verborgen prijs,
het is niet waard te uitzoeken,
ik ben gevangen in mijn aanwezigheid.
Niets waard de aanwezigheid van een wereld,
ik ben minder ik in mijn continent. 
Ik wil graag dat de brand een dag praat,
dat de valse speler zijn wildcard  toont,
 ik ben moe van de onzekerheden,
zat  van al de zwendel.
Spreek, de mysterie,
de stem achter een schriftelijke naam van vrouwen. 
Een 4 is niet meer dan een 4
maar zo bitter de afbeelding is. 
Hou van jouw ellende tot de laatste seconde.

zaterdag 17 december 2011

LIEFDE

 ik zal niet uw schoonheid zingen
 of de sluitingen van uw taille,
ik hield van je omdat het niet anders was,
 als wie die van zijn navel houdt. 
De steen was met jou teder,
teder tod de driftbui. 
Ik voelde me zo zacht
dat ik smolt weg,
in een osmose met kussen
en scherpe strelingen.
 Wat ronde genegenheid,
en  de tand, wat ronde; 
het was een ronde vrouwelijke schoot
de dagen, ja, mijn dagen.

Als je mooi geweest was
zou ik van jou ook houden.

vrijdag 9 december 2011

KAMELEON

Je sliep in de tak
en je had die kleur,
je sliep in de bloem
en je was van de kleur van de bloem,
 maar zonder  stekels of geur.
 De tak en de bloem verdwenen,
kwam het nacht,
dan was je kleur van nacht; 
de dag kwam en je was van zijn kleur. 
U sliep op mijn borst en je had de kleur van mijn ziel,
kleur van ziel zonder doornen.

zaterdag 3 december 2011

ZEEPBELLEN

Ze zullen je naar de hemel stijgen,
in een hoek met koffie-gronden
en tabak as,
je zal zo bedrieger als een Judas zijn
zonder boom waaruit je zou hang.
Ze zijn zeepbellen, mijn ziel,
allemaal zeepbellen,
de nagel van de wind en de teen. 
Je zal de dageraad kijken,
 als de zon verwijdert de tuniek
 tussen korrels van koffie
tussen as-gronden. 
En je zal  je zeepbellen zien
in jouw wanhoop
aan het krioelen onder het licht. 
Je smelt in twee slangen,
verborgen in de wijngaard. 
Je bent zeepbel die omhoog gaat,
stijgt tot waar het zich niet houdt.   

Ik kan niet lopen in mijn huis,
dat een fosforescerende lymfe is,
noch in de drempel ik kijk
al de keer ik gaap. 
Ze zijn zeepbellen, mijn ziel,
dingen naar een andere wereld. 
Wie speelt met water en zeep…   

Het kind lacht terwijl ze knallen
de zeepbellen
zeepbellen van het hart.

zaterdag 26 november 2011

ONKRUID

In plaats van rozen
zetten we in de grond onkruid
en in plaats van bloemen
pakken we kardoenen
We zijn koud van woorden
die leugens betekenen
Moe van minuten
die verdwalen zich in de dagen
en heel ver links van de doel
onrust stoken door baardeloze blondines
van heel harige okselholtes

Herinner maar al het onkruid
al de kardoenen van de geest
en een kus is tussen twee
hetzelfde dan een wapen
of zelfs je zaad in een fles

vrijdag 18 november 2011

AGORAFOBIE

Al de lijnen zijn hoeken,
al de deuren afgronden.
We gaan rond het thuis
als over de glazen van de verhuizing.
We hebben de handen vol met angst,
angst is een vriend die lacht,
en het bloed loopt altijd omhoog,
naar de lippen,
naar het vergif tussen de tanden.
Het is een liefde zonder bladeren
in een margriet van glas,
het glas brandt altijd de handen,
er is altijd lood tussen de nagels.
Ik klop de as van mijn overslag af,
en ik lach,
ik lach verborgen in mijn dagelijkse angst.

vrijdag 11 november 2011

ADAM

Ik bijt de Apple
die Eva heeft weggegooid,
ik klim in de boom van de kennis
door een trap gemaakt met haarvlechten
van een vrouw.
De slang was een leugen,
de duizendpoot en de knijper ook,
Eva is niet de dochter van mijn rib,
zij is de dochter van mijn tranen:
zo veel huilde ik die dag
dat uit de modder een vrouw was geboren,
trillend marmeren lichaam
boom met winderige wortels.
Zij zei hallo met een kus
en ik stal het licht uit haar wang.
We wandelden samen een lang stuk,
met onze handen verbonden.
Wij waren naakt tot half geest,
ik vermeed haar rug,
omdat als ik naar haar rug kijk
is het alsof  ik de tijd doorga kijken,
terwijl de lijken liggen op de oever.
Ik hield haar brede heupen,
ik kuste haar zoals een beest dat doet;
ik vergeet alles over mij,
alles leeft binnen een vuist
de wens kloppend in elke stap.

Dan heb ik God uitgevonden,
Eva had genoeg van mijn oude stemming,
zij vond het precieze woord in de lippen,
zij zei “dag” zonder een kus.
Sindsdien elke keer dat ik haar zie
zie ik alleen de zwarte rug van de tijd.

maandag 7 november 2011

DE GROENE GEEST

Wij dronken met volle teugen,
wij zwierven bijna elke nacht,
de straten vol van groene honden 
en blauwe hoeren;
in de verkeerslichten fladderden de motten rond,
een dwerg danste de tango
bij de deur van een winkeltje.
Amsterdam is een sinistere stad:
er is een kanaal waar de doden drijven
en de voetgangers gooien rozen.
De mensen plassen op de straten
en de urine loopt in een bruisende stroom
naar de dijken van bot.
Verboden mengen cannabis en alcohol,
verboden  te spugen naar de standbeelden,
verboden een handstand te maken
op de openbare weg.
Absint en slapeloosheid,
rode lichten en scheurbuik.
Amsterdam is een stad met betovering,
wanneer ze gaapt een zwerm van vlinders
gaat naar de straat.
De haan met rode kam
wandelt bij de bloemenmarkt.
Rembrandt heeft een kater die vlucht
met het oor van Van Gogh in de mond.
Ik kende een kind met twee tongen,
een bejaarde met drie vingers
en een meisje met een regenjas.
Tabak en absint,
groene honden en blauwe hoeren.
Wij waren bijna verstikt
met zo vele kanalen en wolken.
Gelukkig zagen wij Spinoza in de Joodse wijk,
hij vatte God in een ring.
Wij waren evenwichtskunstenaars
aan de rand van de kanalen;
op de tast, blind door de rook,
wij vluchtten uit de koffieshops.
Absint en tabak,
groene honden en blauwe hoeren.

Amsterdam slaapt
een hond blaft
een wit oog ziet de dageraad