zaterdag 3 december 2011

ZEEPBELLEN

Ze zullen je naar de hemel stijgen,
in een hoek met koffie-gronden
en tabak as,
je zal zo bedrieger als een Judas zijn
zonder boom waaruit je zou hang.
Ze zijn zeepbellen, mijn ziel,
allemaal zeepbellen,
de nagel van de wind en de teen. 
Je zal de dageraad kijken,
 als de zon verwijdert de tuniek
 tussen korrels van koffie
tussen as-gronden. 
En je zal  je zeepbellen zien
in jouw wanhoop
aan het krioelen onder het licht. 
Je smelt in twee slangen,
verborgen in de wijngaard. 
Je bent zeepbel die omhoog gaat,
stijgt tot waar het zich niet houdt.   

Ik kan niet lopen in mijn huis,
dat een fosforescerende lymfe is,
noch in de drempel ik kijk
al de keer ik gaap. 
Ze zijn zeepbellen, mijn ziel,
dingen naar een andere wereld. 
Wie speelt met water en zeep…   

Het kind lacht terwijl ze knallen
de zeepbellen
zeepbellen van het hart.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten